Dat is een moeilijke vraag, het is namelijk best een ingewikkeld verhaal. Toch zal worden geprobeerd hier eens een “zo kort mogelijk” antwoord op te geven.

Vaak wordt Natuurlijk tuinieren verward met biologische landbouw. Ook bij Natuurlijk tuinieren gebruiken we liever geen kunstmest en bestrijdingsmiddelen, maar het gaat veel verder dan dat. Door wilde planten en dieren de ruimte te geven in ons tuin, kunnen we gebruik maken van de voordelen die zij bieden. In een evenwichtige tuin hebben we daardoor minder last van “onkruid”, plaagdieren en ziektes.

Onkruid of wilde planten?

Natuurlijk tuinieren lijkt, zoals de naam al aangeeft, erg veel op gewoon tuinieren. Zoals iedereen weet is de bedoeling van tuinieren dat je een groot aantal (bloem)planten in een mooie opstelling laat groeien, en dit probeert te behouden. Daarbij wil je zoveel mogelijk verschillende bloemen naast elkaar laten bestaan. Biologen noemen dat diversiteit, in het Gronings heet het diverdoatsie. Een hoge biodiversiteit betekend dat er van veel dingen een beetje is, dit geeft stabiliteit in de tuin. Het tegenovergestelde is een plaag, dan is er heel veel van één ding.

Tot hier alleen maar overeenkomsten. Het verschil zit in de planten die we gebruiken. Bij natuurlijk tuinieren gebruiken we het liefst wilde plantensoorten (heemplanten). Deze planten zijn goed aangepast aan de Nederlandse omstandigheden waardoor ze de concurrentiestrijd met ongewenst planten (onkruid) beter aan kunnen. Hierdoor hebben we minder last van soorten die gemakkelijk een plaag kunnen worden zoals zevenblad, kweek en heermoes. Dus in plaats van te schoffelen zorgen we ervoor dat alles dicht is beplant met inheemse planten. Dan hoeven we alleen het teveel aan planten weg te trekken, zodat de diversiteit behouden blijft. Aantrekkelijke wilde bloemplanten die het vaak goed doen zijn bijvoorbeeld koninginnenkruid, kattenstaart, guldenroede, vingerhoedskruid, boerenwormkruid, fluitenkruid, valeriaan, smeerwortel en moerasspirea.

Niet alleen “netjes” is mooi

Uiteraard heeft een natuurlijke tuin een iets andere aanblik. Zo’n tuin oogt wat nonchalanter en lijkt soms meer op een georganiseerd natuurgebied. Dat is ook juist de bedoeling. Iedere persoon heeft hierbij zijn eigen belevingswaarde. Een onbewuste bezoeker kan denken dat het volledig uit de hand is gelopen, de tuin staat immers vol met planten die ook in de slootkant staan. Als je beter kijkt zie je dat de planten zijn geordend in een bepaalde opstelling en dat de diversiteit heel hoog is. De meeste planten hebben bloemen en lelijke planten ontbreken. Jawel, de kenmerken van een tuin.

Vlinders en libellen

Een geurige border met inheemse bloemen trekt op zijn beurt een overdaad aan kleurige vlinders en libellen aan. Het aantal vlinders is in de afgelopen 25 jaar in Nederland met 75% afgenomen. Nergens in Europa is deze achteruitgang zo sterk geweest als bij ons. Van de 70 dagvlindersoorten die in ons land voorkomen gaat het met 2/3 deel niet goed. Dit komt doordat heel veel wilde bloemen zijn verdwenen. In de meeste weilanden is nog geen madeliefje te vinden en in de stad zijn de tuinen betegeld of vol geplant met bloemen uit het tuincentrum. En hoe kleurig en groot deze bloemen ook zijn, onze vlinders hebben er niet veel aan. Ze kunnen er niet in met hun tong of de plant is door al dat gekweek verleerd om nectar te maken. Vlinders zijn vandaag de dag volledig aangewezen op natuurgebieden, wegbermen en….. natuurlijke tuinen.

Ongediertebestrijding

Om slakken en plaaginsecten tegen te gaan roepen we de natuurlijke hulptroepen in van roofinsecten (zoals libellen), vogels, spitsmuizen, egels, vleermuizen en kikkers. Uilen, steenmarter en wezel houden het aantal muizen binnen de perken (nee hoor, steenmarters hebben niet alléén maar remleidingen op het menu staan). In ruil daarvoor geven wij ze inwoning in de vorm van stenenhopen en nestkasten, de kost scharrelen ze zelf wel bij elkaar. Het zijn gemakkelijke logees.

Kampioen insectenvanger zijn de vleermuizen. Deze diertjes eten zo’n 3000 muggen, nachtvlinders en gaasvliegen per nacht (probeer dat eens met een vliegenmepper). Op jaarbasis heb je het dan over een half miljoen muggen per vleermuis. Helaas is het aantal vleermuizen teruggelopen, 100 jaar geleden waren het er waarschijnlijk nog 10 keer zoveel. De problemen met bijvoorbeeld de processierups (wat de rups is van een nachtvlinder) heeft hier alles mee te maken. Er zijn in Nederland te weinig vleermuizen die de nachtvlinders eten. Laten we hopen dat het ze wel lukt malaria buiten de deur te houden.

Leave a Reply