Overgangen zijn de meest interessante plekken voor veel dieren en planten. Roofdieren struinen slootkanten af, vlinders vliegen langs de border en ook wandelaars volgen van nature de bosrand. Dat doen ze omdat op deze overgangen het meeste voedsel is te vinden (vergeet niet dat wij mensen ook ooit naar voedsel moesten zoeken). Als vogelaar leer je al snel dat de meeste vogelsoorten vallen te scoren langs de bosrand. Hier kun je namelijk bosvogels zien, vogels van het open veld en de soorten die zich hebben gespecialiseerd op de bosrand. Kortom, overgangen zijn soortenrijk, ze hebben een hoge biodiversiteit.

Natuurlijke bosrand

Een van de meest voorkomende overgangen is de bosrand. Op de meeste plekken is er tegenwoordig sprake van een”harde bosrand”. Grasland stopt abrupt en gaat over in hoge bomen, vaak zijn de stammen van de bomen goed te zien. Dit is jammer, want deze bosranden zijn niet zo soortenrijk als zouden kunnen zijn. In een natuurlijk situatie onstaat vaak een zogenaamde “mantel-zoom” vegetatie.

Een schematische voorstelling van een natuurlijke bosrand. (figuur: Praktisch natuurbeheer voor vlinders en libellen, Groenendijk & Wolterbeek)

Zo’n natuurlijke bosrand heeft vanuit de ogen van insecten ontzettend veel verschillende leefgebiedjes, met als gevolg dat er een enorme hoeveelheid insectensoorten kan wonen. En waar insecten zijn is voedsel voor vogels, vleermuizen, kikkers, spitsmuizen, egels en libellen. Die op hun beurt weer voedsel zijn voor marters, uilen en roofvogels.

Natuurvriendelijke oever

Een andere veelvoorkomende overgang is die van droog naar nat. Ook hier zien we vaak dat de overgang zeer abrupt is door bijvoorbeeld een beschoeiing. Dat komt de soortenrijkdom niet ten goede. Als er genoeg ruimte is kan soms de beschoeiing worden weggehaald en de oever flauw worden gemaakt. Er ontstaat dan een overgang van droge grond via natte grond naar open water. Ook de planten volgen deze overgang. Bovenaan staat boterbloem, op het natte gedeelte groeit kattenstaart en in het water groeit zwanenbloem.

Een natuurvriendelijke oever.

Ook de insectenwereld volgt deze overgang. En zodra er insecten zijn komt de hele reutemeteut van insecteneters (vogels & co) er weer achteraan hobbelen.

Toepassing in de tuin

Ook in de tuin kunnen we het trucje van de geleidelijke overgangen vaak gebruiken. Iedereen die een border heeft doet dit in feite al (de verschillen tussen de natuur en onze tuin zijn eigenlijk helemaal niet zo groot). Maar ook door bijvoorbeeld hoogteverschillen te maken ontstaan verschillen tussen nat en droog, zon en schaduw en daardoor verschillende groeiplaatsen voor diverse planten. Uiteraard moet deze overgang niet te abrupt zijn. In de diepe delen is het nat en kunnen dotterbloem, gele lis en zwanenbloem groeien. Op de hogere delen boerenwormkruid en Koninginnekruid. Daartussen kattenstaart en andere oeverplanten.

Een andere mogelijkheid is de overgang van de ene bodemsoort naar de andere bodemsoort. Ook dit moet geleidelijk gaan. Mantel-zoom vegetaties kunnen (in het klein) worden nagebootst. Een bloemenborder is eigenlijk een kleine mantel-zoom vegetatie en heeft daardoor die natuurlijke uitstraling, het doet ons denken aan de bosrand waar we ons zo thuis voelen.

Leave a Reply